Categorie archief: Gedicht

Vandaag

Soms heb ik van die dagen
Dan zit me alles tegen
Ik kan alleen maar klagen
Ik voel me oud, belegen

Vandaag voel ik me goed
Problemen weer de baas
Vol levenslust en moed
Een lekker stukje Uniekaas

Vooruitgang

Zo knus begon voor mij de dag
Hoi Haai, hoi Kreeft, hoi Steur
De eersten die ik dagelijks zag
Een zee van HEMA-kleur

De tegels vol met kalkaanslag
Een muffe blauwe plasticgeur
Daar gaf zo’n visje met zijn lach
Mij altijd weer een goed humeur

Nu sta ik in mijn hightech douche
Met alles in een strakke lijn
Onder een waterstralenroes

Denk steeds hoe zal het zijn
Met Walvis en met Octopus
Met mijn vertrouwde douchegordijn

Het haasje dat eerst overbleef

Twee hazenjongens op het land
Het meisje haas zat aan de kant
Ze loerde hoe de heren daar
Vochten, om de gunst van haar
En weer won Tom, de uitslover
Toen was er nog een haasje-over

Haas Kees, die net verloren had
Koos, zoef zoef, het hazenpad
Dat leidde naar het grote bos
Van Broer Konijn, en Beer en Vos
‘Oh jee’, sprak toen het baasje,
nu ben ik echt het haasje

Hij pakte snel een schepje
En groef toen haastje-repje
Om in te wonen en te schuilen
Een hazenleger, dat zijn kuilen
Kees woonde best tevreden
In zijn hol beneden

Maar in het bos had Kees geen vrienden
Nergens was een haas te vinden
Hij vroeg aan Beer, ‘heb jij misschien
hier in de buurt een haas gezien?’
Beer zei, tot Kees zijn groot verdriet,
‘mijn naam is Haas, ik weet het niet’

Net toen Kees had opgegeven
Kwam varken Ellie in zijn leven
Ze hielden zielsveel van elkaar
Het ging gezwind, want in dat jaar
Kwam al hun kind, hij heette Klaasje
Het was een heerlijk varkenshaasje

 

Kuieren

Zweet drupt langs zijn nek
Rennen als een gek
Zo is hij lekker bezig
Het lijf stoer, sterk en strak
In spieronthullend pak
Zijn blik ver en afwezig

Ik knik hem vrolijk toe
Maar krijg geen bah of boe
Zijn hoofd in hoger sferen
De lente, zon en ik
Niet waardig voor zijn blik
Het draait om het Presteren

Daar heb je ‘t, jaloezie
Zo’n lijf, dat heb ik niet
Gelukkig ’t is maar even
Voordat ik weer geniet
Van wat het voorjaar biedt
Kuierend door het leven

Levensmoe

Hij was er nog maar net
Een uur of vier misschien
Maar was zijn leven nu al zat
Hij had het wel gezien

Het jachtige, het vluchtige
Hij vond er niet veel aan
Dat oppervlakkig luchtige
Hij wilde er vandaan

Toch kwam het onverwacht én snel
Hij was er één van weinige
Een eendagsvlieg die ‘t leven liet
Door het zelf te eindigen

Twee duizendtienpoten

Op een mooie dag
Bij een boerensloot
Werden ze geboren
Daan en Dirkje Duizendpoot

Het was een heuse tweeling
En moeder was zo blij
Twee lieve kleine beestjes
Domweg uit een ei van mij

Wantrouwend keek de vader
Was alles goed gegaan?
Zaten er twee oogjes
en duizend pootjes aan?

Vader tuurde glurend
Hij telde voet voor voet
Het klopte niet, het kwam niet uit
Hij telde nog eens goed

Vader was gekomen
tot twee keer duizendtien
Deze ramp werd groter dan
We nu kunnen voorzien

De vader barste uit:
Een Poot heeft duizend voeten
Ze hebben er teveel
Dat zal echt minder moeten

In feite was de vader
Een akelige man
Want toen de tweeling sliep
Begon hij met zijn plan

De extra pootjes van de twee
Probeerde hij te breken
Gelukkig wist zijn vrouw daar net
Een stokje voor te steken

Ze sloeg hem pats, zo hard ze kon
Met een koekenpan
Daar schrok die vader Poot
Zo ongelofelijk van

Hij zei: ik zal het niet meer doen
Vergeef me, ik word beter
Maar moeder Poot dacht bij zichzelf
‘k Vertrouw je voor geen meter

Sinds die dag was moeder Poot
Extra op haar hoede
Beschermde ze de tweeling
Tegen vaders’ woede

Ondanks dat ze woonden
Bij die nare pestkop
Groeide ‘t tweetal dankzij moeder
Best wel vredig op

Totdat….

Op een dag gebeurde er
Iets uiterst ongewoons
De vader was aan ’t wandelen
Met moeder en de zoons

Nietsvermoedend liepen ze
Ze roken geen gevaar
Ze zagen haar te laat
Mevrouw de Ooievaar

Daan en Dirkje vluchtten vlug
Ze renden hard die twee
Ze trokken in een sneltreinvaart
Hun moeder met zich mee

Zo bleven toen die drie
Op ‘t nippertje in leven
Door de snelheid die
Extra pootjes geven

Vader rende en hij rende
Hij rende zich echt rot
Maar hij was net niet snel genoeg
Hem trof een minder lot

De Ooievaar die greep hem
Ze stampte hem volledig plat

Ach die arme vader…

Hij had het zeker wel gered
Als hij meer poten had gehad

 

Bekoelde liefde

Twee appels liggen in de mand
Bedremmeld en bedeesd
Te denken aan wat lang gelee
Zo heerlijk is geweest

De liefde die ooit groeide
En bloeide zoveel jaren
Die is verpieterd toen ze
In de koelcel waren

Els Star haar rode koontjes
Die zijn nu bleek, vaal geel
Het fiere stokje van Geert Granny
Nu slechts een slappe steel

Geert staart naar Els
En hij verzucht
Oh was ik maar geen appel
Oh was ik maar een passievrucht

 

Koude kikker

Heer Kwaak die wil zo graag
Graag weg uit Nederland
De kikkers zijn hier zo armoedig
Leven niet op stand

Hij emigreert naar Frankrijk
En vindt een sjieke plek
Hij noemt zich daar monsieur
Monsieur Grenouille Brullebeque

Helaas, hij leeft niet lang
Al zijn die Fransen niet zo kwaad
Ze moorden zo een kikker voor
De billetjes van Kwaaks formaat